Elf vragen aan… Toon van Uden

ROSMALEN – Het valt niet mee om een spraakwaterval als Toon van Uden te interviewen. Al helemaal niet als het gaat over alles wat hij in het amateurvoetbal heeft meegemaakt. Stel één vraag en hij is meteen een kwartier aan het woord. Toch hebben we een poging gewaagd, met de volgende antwoorden op onze wekelijkse vragen als resultaat. Over legendarische woorden, Goldfingeren, zelfvertrouwen, het duo Toon en Gido, een fenomenaal jong ventje en nog veel meer.

Naam: Toon van Uden, genoemd naar mijn opa (d’n Tjee) en mijn eigen vader, die ook Toon heet.
Geboren: Ja, en zonder keizersnee. Wanneer? Op 28 juni, 1966… Kreeft dus, een gevoelig type.
Club(s): OJC, BVV, Den Dungen, Kruisstraat en weer OJC, dus de cirkel was rond qua voetballen.
Positie: Ik was mijn hele carrière linksbuiten, terwijl ik stijf rechts ben.
Dagelijks leven: Ik woon in Rosmalen, vanaf mijn tiende levensjaar. Daarvoor in Deuteren, dus logisch dat ik toch een boefje was. Dat leerde je daar wel op straat. Ik werk als ZZP’er in de keukenmontage, daar waar het nodig is, en ben al 15 jaar gelukkig getrouwd met Ellen, de moeder van onze drie kids. Die ook alle drie voetballen, uiteraard bij OJC. Mijn hobby is het trainen van de spitsen bij Real Lunet.

  1. Sterkste/zwakste punt: Mijn actie op snelheid, waarmee ik 1 of 2 spelers passeerde, en verder was ik sterk in het mentale. Dat ging wel gepaard met het ouder worden. Ik was zo zelfverzekerd dat ik wist dat het uiteindelijk altijd goed kwam. Niet verwarren met air of kapsones, hoor. Maar ik wist dat ik er altijd wel één maakte. En zo niet, dan liet ik het echt niet snel merken. Mijn zwakste punt was jammer genoeg het koppen en penalty’s. Dan moet je nadenken en dat is voor een spits funest. Ik dacht nooit na, volgde gewoon mijn gevoel en gogme. En ik was natuurlijk gruwelijk slim, haha.
  2. Kunst- of natuurgras: Natuurgras. Ik heb zelf maar zelden gevoetbald op kunstgras, maar dat vereist een hele andere techniek en fysiek. Op gras kun je meer met de bal. Een voetbal is op gewoon gras voor mij handelbaarder. Heb je wel eens gezien hoe een stift er tot zijn recht komt? Op gras kun je gewoon meer verrassen, vandaar dat alle grote clubs daar ook op spelen.
  3. Kleur voetbalschoenen: Zwart. Er was in die tijd niet veel keuze. Je ging naar Wil van Nuland, de sportzaak in het dorp, en daar kocht je gewoon een zwarte of eentje die nog zwarter was. Nu zie ik mijn kids met gekleurde pattas over het veld lopen. Ik betaal ze wel, maar ze maken er echt niet meer goals door.
  4. Mooiste tenue en sportpark: Het rood-zwart van OJC, met in onze tijd witte sokken en witte broek. Het mooiste sportpark? God, ik heb er veel gezien. Maar dat blijft voor mij dan toch het oude sportpark De Hoef. Daar heb ik alles meegemaakt, met veel markante OJC’ers. Verder is het niet moeilijk: Gemert en Maliskamp. Dat strakke lakentje, met die bomen er omheen. Jongen, wat een sfeer ademde dat.
  5. Mooiste voetbalmoment: Naast de drie kampioenschappen en de bekerwinst met het 1e ook het kampioenschap met het 4e van OJC. Ik nam een voorzet op de borst aan en joeg hem bovenin het kruis. Daardoor werd het 1-1 en konden we feest gaan vieren. Ik was toen 19 jaar oud en was vanuit het 3e teruggezet naar het 4e, met Thijs en Ton van Malsen, Wilco Voets, Hans Schoenmakers en af en toe d’n Blom erbij, dacht ik me te herinneren. Heerlijke vent voor jongere spelers. Eduard van Creij stond toen te kijken en zei tegen Jan Toelen de legendarische woorden: “Dat wordt er eentje voor het 1e.”
  6. Dieptepunt/grootste blunder: De twee degradaties met OJC en BVV. Maar het grootste dieptepunt was toch mijn enkelblessure, die ik opliep tijdens een familietoernooi bij de Kruisstraat. Daarna heb ik nooit meer pijnvrij gelopen.
  7. Opvallendste teamgenoot: Zwaar op nummer 1 staat Theo van Geffen. Wat een lol en schik wij gehad hebben is legendarisch. Ik kan een boek schrijven over Toon en Gido, zoals we hem noemden. Iedereen had schik met en schrik van ons. D’n Vladi (Ciric, red.) en Vloet zijn ook allebei heel belangrijk geweest voor mijn persoon. Daarna komt d’n Bally (Jan van Balsfoort jr., red.), echt een ventje voor de kar. Altijd voorop in de strijd en altijd vrolijk. Jammer dat ie niet meer onder ons is. Hij was zo aanwezig dat iedereen die hem echte kende hem nog mist. De Korthals hadden we ook nog. Die kon geen lantaarnpaal voorbij, maar scoorde altijd. En bij hem aan tafel of in zijn buurt was entertainen zijn passie. Het stopwoord was ‘maar afijn’. Lawrence Heijmans kwam altijd net niet of net wel te laat, maar die was niet op te naaien, had altijd alles onder controle. Vloet werd gek van hem. We hadden naar aanleiding van het te laat komen een boetepot gemaakt, waarin je een knaak moest gooien als je te laat kwam. Dus Lauke pakt een briefje van 25 gulden en zegt: “Dit is ook meteen voor de volgende 9 keer.” Een andere teamgenoot – ik als trainer, hij als speler – die me bij blijft is de Wes (Meeuwsen, red.). Geweldige spits, die als geen ander de pot op slot kan gooien of open kan breken. Hij kan geen lelijke goals maken.
  8. Voetbalhumor: Daar kan ik wel een hele nieuwe rubriek mee vullen. Maar ik zal er alvast een vertellen: We hadden Joost en Jeroen Heijmans samen in de selectie. Joost keepte en Jeroen was een goede stopper. Nou leken die ergens wel op elkaar en Theo en ik zeiden constant de ander zijn naam als we aan het trainen waren. Jeroen lachte altijd alles weg, maar Joost zei altijd: “Nee, ik ben niet
    Jeroen, ik heet Joost.” Als we ze nu nog tegenkomen en de verkeerde naam zeggen, hebben we nog altijd schik.
  9. Wat wil je nog bereiken: Binnen het voetbal dat alle spitsen die ik train van de 10 kansen die ze krijgen langzaam naar 6 of 7 goals gaan. Dat daar gestaag opbouw in zit. Maar dat wordt lastig tegenwoordig. De hele dag komt de hele wereld bij ze binnen. Ze vreten geen voetbal meer, het is maar een leuke hobby. Wij waren vanaf de donderdagavond bezig met de wedstrijd. Tussendoor op zaterdagavond nog wel even Goldfingeren tot 4 uur ‘s nachts, maar toch. Voor de wedstrijd een asperine erin en dan ging het weer top.
  10. Beste speler uit de regio: Younes Hadouir by far. In het 2e van BVV heb ik nog met hem gespeeld, toen ik ook assistent was bij het 1e. We moesten nog 10 wedstrijden spelen en alles winnen. En dat hebben we ook gedaan met z’n allen. Younes was nog een jong ventje, maar toen al fenomenaal.
  11. Opvallendste regioclub: Dat is toch Real Lunet. Iedereen wil van Real winnen, dan stel je wat voor. Kun je nagaan hoe men ons ziet. Wij en ook CHC zijn de clubs om tegen te pieken voor onze tegenstanders. Twee kleine clubjes met veel gezelligheid en het sfeertje van vroeger, zeker bij Real.

Geef een antwoord